Het diergeneeskundig laboratorium aan de Houtribweg is waarschijnlijk tegen de officiële lezing in toch de bron geweest van de uitbraak van mond- en klauwzeer die in 1983 onder meer in de Noordoostpolder en Noord-Holland tot besmettingen leidde. Dat werd wel al vermoed, maar destijds door de verantwoordelijken tegen beter weten in niet toegegeven. Dat schrijft de Volkskrant op basis van oude rapporten en correspondentie die de redactie heeft gevonden in het Nationaal Archief.
Het gaat om het Centraal Diergeneeskundig Instituut, een voorloper van Wageningen Bioveterinary Research, het huidige onderzoekscentrum van Wageningen University & Researsch (WUR).
Dat was in 1982 opgeleverd en het was gebouwd volgens de laatste inzichten destijds op het gebied van veiligheid – en daarom werd aanvankelijk aangenomen dat dat niet de bron kon zijn.
Betrokkenen ontdekten echter met DNA-onderzoek dat het ging om een variant van het virus die door het instituut werd gebruikt voor het maken van vaccins. Nader onderzoek bracht vervolgens onder meer mankementen in het filtersysteem aan het licht. Ook bleek dat de regels niet altijd goed werden nageleefd. Uit de correspondentie blijkt dat de eindverantwoordelijken besloten de tekortkomingen niet naar buiten te brengen en in het uiteindelijke rapport worden die ook niet vermeld.
De krant sprak ook met de melkveehouder bij wie het eerste geval van deze uitbraak werd aangetroffen, Guus Habets uit Nagele, die vorig jaar ook zijn relaas deed bij Omroep Flevoland. De gevolgen hebben nog jaren gedrukt op zijn bedrijfsvoering. Een poging een schadevergoeding te krijgen, haalde het niet.